Nederland heeft een van de hoogst aangeschreven kenniseconomiën ter wereld. Toch blijkt uit recent onderzoek dat het kwaliteitsverschil tussen Nederlandse scholen erg uiteen loopt. Sterker nog, nergens anders in Europa zijn de verschillen in onderwijs zo groot als hier. Wat betekent dit voor je kansen in de toekomst?

Femke Visser

“Het gaat in het onderzoek over scholen die allemaal ongeveer op basiskwaliteit zitten, maar verschillende resultaten halen met hun leerlingen, terwijl de leerling-samenstelling vrijwel gelijk is”, zegt Hans van der Vlies, persvoorlichter Inspectie van het Onderwijs. “Dit betekent dat deze verschillen niet aan de leerlingen liggen en scholen dit ook niet al excuus kunnen gebruiken. Dat hoor je nog wel eens, dat scholen hun slechte kwaliteit afschuiven op het feit dat ze veel moeilijke leerlingen hebben.”

Uit het onderzoek blijkt dat op middelbare scholen het verschil vooral te zien in het slagingspercentage van leerlingen. Zo kan het slagingspercentage tussen middelbare scholen maar liefst 25% verschillen. Bovendien hebben kinderen van laagopgeleide ouders vijf keer meer kans om een laag schooladvies te krijgen, of tijdens hun opleiding af te zakken in vergelijking met kinderen van hoogopgeleide ouders.

Maar wat betekent het voor je toekomst in het hoger onderwijs als je op een zwakke middelbare school zit? Hans: “Het kan door het kwaliteitsverschil van de scholen komen dat middelbare scholieren te slecht worden voorbereid om hun vervolgopleiding te doorlopen. Soms zie je ook dat leerlingen op een te laag niveau terecht komen, bijvoorbeeld mbo niveau 1, terwijl dat ook niveau 4 had kunnen zijn. De kwaliteitsverschillen kunnen jongeren dus inderdaad kansen ontnemen als je kijkt naar vervolgonderwijs. Toch hoeft dit niet direct catastrofaal te zijn. Als je zelf goed je best doet en ambitie toont kan je nog steeds heel ver komen”.

Allemaal leuk en aardig, dat de verschillen zo groot zijn, maar hoe kunnen middelbare scholen deze nou kleiner maken? Hans: “Middelbare scholen moeten er voor zorgen dat ze een duidelijke visie hebben en dat de school ambitie toont. ‘Aan de norm voldoen’ is dan niet goed genoeg. Ook is het belangrijk dat het schoolpersoneel de leerlingen kent en kan inspelen op hun sterke en zwakke punten.”

Maar moet deze norm dan niet omhoog? Monique Vogelzang, Inspecteur-generaal van het Onderwijs, zegt in een interview met de Volkskrant van niet: “Ik ben er niet voor om die ondergrens op te trekken. Het is toch een beetje armoedig om scholen naar zo’n norm toe te laten werken. Liever zou ik zien dat scholen zelf ambitieuzer zijn, dat de vrijheid die er is beter benutten om hun onderwijs continu te verbeteren.”

Waar het probleem volgens de Inspectie van het Onderwijs onder andere ligt, is in de vrijheid die scholen hebben om onderwijs zelf in te richten. In Scandinavische landen ligt deze inrichting bijvoorbeeld wel vast en zie je veel minder niveauverschil tussen scholen. Toch vindt de Inspectie niet dat Nederland deze methode moet overnemen. Die vrijheid is volgens hen heel belangrijk en bovendien heel goed als je kijkt naar bijvoorbeeld onderwijsvernieuwing.

En wat kan je zelf doen om ervoor te zorgen dat je over een paar jaar goed terecht komt, ongeacht op welke school je zit? Hans: “Leerlingen die de pech hebben op een middelbare school te zitten waar de onderwijskwaliteit toch iets minder is, zullen vooral zelf ambitie en initiatief moeten tonen. Meer kan je nu helaas niet meer doen, want dan is het in de jaren ervoor al misgelopen, op de basisschool of middelbare school. Voor oplossingen op de lange termijn zullen scholen zelf voor oplossingen moeten zorgen.”

Eigenlijk komt het er dus op neer dat je goed je best moet doen en ambitie moet tonen. Te gek, dat hebben we nog niet vaker gehoord. Mocht het allemaal nou echt nog in de soep lopen met het onderwijskwaliteit, kunnen we het ook altijd nog op deze manier proberen op te lossen: